Aanbiedingsbrief

Inleiding

Hierbij bieden wij u de Programmabegroting 2020 en de meerjarenraming 2021 - 2023 aan.

In deze programmabegroting geven wij de beleidskaders en de financiële kaders voor het komende begrotingsjaar aan. Aan de basis voor de begroting 2020 staan het raads- en collegewerkprogramma 2018-2022 Samen vooruit! en de Zomernota 2019.

Verder heeft u bij de vaststelling van de Zomernota 2019 in het onderdeel “Kadernota 2020” de uitgangspunten voor de Begroting 2020 vastgesteld.

Indeling Programmabegroting 2020

De programmabegroting bestaat uit een beleidsbegroting en een financiële begroting. De beleidsbegroting is onderverdeeld in een programmaplan en paragrafen.

In het programmaplan zijn per programma de doelstellingen aangegeven die zijn opgenomen in het collegewerkprogramma 2018-2022, Samen Vooruit! Vervolgens wordt voor het jaar 2020 aangegeven welke activiteiten ondernomen worden om bij te dragen aan het bereiken van deze doelstellingen. De beleidslijnen van een aantal aspecten van het beheersproces treft u aan in de paragrafen.

In de financiële begroting geven wij u een toelichting op de financiële positie van de gemeente in de komende vier jaar.

Beleidsindicatoren

Bij het opstellen van het Collegewerkprogramma Samen Vooruit! 2018 – 2022 en de Programmabegroting 2019, is gestart met het concreter beschrijven van de speerpunten, doelstellingen en activiteiten. Daarbij is ook de ambitie uitgesproken om de begroting verder door te ontwikkelen door het opnemen van kengetallen en/of indicatoren.

Het doel van de beleidsindicatoren is om het effect van het gevoerde beleid te meten, te prioriteren, (bij) te sturen of te benchmarken; waarom wijken onze cijfers af van vergelijkbare gemeenten, wat zijn de prioriteiten voor het komende jaar, hoe willen we de ontwikkeling van de trend zien, wat zeggen de cijfers over het behalen van de doelstellingen en speerpunten, etc.

In de Begroting 2019 was de verplichte set BBV-indicatoren opgenomen. In de Programmabegroting 2020 is deze set uitgebreid met lokale beleidsindicatoren. Het uitgangspunt van de basisset is een uniforme set aan indicatoren met hetzelfde doel en/of vorm (effect, prestatie, etc). Zowel bij de lokale als de BBV-indicatoren wordt de vergelijking gemaakt met qua inwoners vergelijkbare gemeenten (25.000 – 50.000 inwoners).

  • Lokale indicatoren
    In het Collegewerkprogramma zijn op programmaniveau doelstellingen geformuleerd. De doelstellingen vormen het uitgangspunt voor een eerste set aan lokale indicatoren. Op deze manier is goed te meten wat de resultaten zijn van de koers van het Collegewerkprogramma over de periode 2018 - 2022.
    Per programma zijn maximaal 3 lokale indicatoren opgenomen. Voor programma 4 Ruimtelijke en economische ontwikkeling is afgeweken van dit aantal vanwege het grote aantal doelstellingen binnen dit programma. Hierbij zijn voor zowel ruimtelijke ontwikkelingen als economische ontwikkelingen maximaal 3 indicatoren opgenomen.
  • BBV-indicatoren
    Deze indicatoren zijn voorgeschreven vanuit het BBV. Het doel is om de begroting en jaarverslagen beleidsmatiger te maken, zodat raadsleden op de belangrijke momenten in de planning & control cyclus zich een beeld kunnen vormen over behaalde en te behalen beleidsresultaten. Daarnaast maakt het opnemen van de verplichte indicatoren het mogelijk om gemeenten onderling met elkaar te vergelijken.

    Kanttekening hierbij is dat deze indicatoren niet allemaal relevant zijn voor onze gemeente. Ze sluiten niet één op één aan bij het lokale beleid en beleidsdoelstellingen. Bij de ontwikkeling van nieuw beleid kan uiteraard gebruik worden gemaakt van deze indicatoren, zodat een directe relatie ontstaat tussen het lokale beleid en deze verplichte indicatoren.

De basisset is een eerste aanzet. Het betreft een groeimodel en kan de komende jaren verder worden uitgebouwd, aangepast of aangevuld.

Financieel meerjarenbeeld

Op 4 juli 2019 is door de gemeenteraad de Zomernota 2019, met daarin de Kadernota 2020, vastgesteld. Bij de Zomernota 2019 werd een tekort voor het jaar 2022 verwacht. Het college heeft daarbij aangegeven om bij de opstelling van de Begroting 2020 ernaar te streven het tekort voor het jaar 2022 om te buigen naar een positief saldo.

In aanloop naar de begrotingsbehandeling is uw raad op diverse momenten schriftelijk geïnformeerd over ontwikkelingen die van invloed zijn op het saldo van de Programmabegroting 2020 en de meerjarenbegroting. Met name ontwikkelingen binnen het sociaal domein en de septembercirculaire zijn van invloed geweest op het gepresenteerde begrotingssaldo.

Om te komen tot een sluitende meerjarenbegroting heeft het college daarnaast een aantal beleidskeuzes gemaakt.

In de voorliggende Programmabegroting 2020 sluiten zowel het begrotingsjaar 2020 als de meerjarenraming 2021 – 2023 met een positief saldo. De mutaties ten opzichte van de Zomernota 2019 zijn toegelicht in de uiteenzetting financiële positie in de Programmabegroting 2020.

Samenvattend ontstaat voor de jaren 2020 – 2023 het volgende beeld.
2020: 18.686 positief
2021: 145.019 positief
2022: 844.529 positief
2022: 1.411.135 positief

Zowel het begrotingsjaar 2020 als de meerjarenraming is reëel sluitend, zoals ook het overzicht incidentele baten en lasten laat zien.

Weerstandsvermogen en risicobeheersing

In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing worden de risico’s afgezet tegen de beschikbare weerstandscapaciteit. Zoals in de Zomernota 2019 is aangegeven heeft er naast een inventarisatie van nieuwe risico’s ook een herijking van de bestaande risico’s plaatsgevonden.

Het weerstandsvermogen laat een positieve ontwikkeling zien ten opzichte van de Begroting 2019. De ratio van het weerstandsvermogen is voor 2020 berekend op 3,53. Dit is te categoriseren als hoog.

Lastendruk inwoners

In de paragraaf lokale heffingen wordt uitgebreid ingegaan op de verschillende lokale lasten en de lastendruk voor de inwoners.

De OZB-tarieven stijgen met het inflatiepercentage van 1,5%. Dit is met 0,5% verlaagd ten opzichte van de uitgangspunten in de Zomernota 2019.

De reguliere tarieven van de afvalstoffenheffing zijn gebaseerd op 13 ledigingen per jaar voor zowel een 140 liter als een 240-liter container. Voor het aantal inworpen in een ondergrondse container is uitgegaan van 45. Hierbij is tevens uitgegaan van het nieuwe afvalbeleidsplan dat in oktober aan uw raad is aangeboden.

De rioolheffing wordt gebaseerd op het in september 2019 vastgestelde Gemeentelijk Riolerings Plan. Deze laat voor 2020 een stijging zien ten opzichte van het tarief van 2019. Om de stijging van de lastendruk voor de inwoners van Halderberge te beperken is in 2020 een bedrag van 374.000 onttrokken aan de voorziening overschotten riolering.

Per saldo stijgt de lastendruk voor meerpersoonshuishoudens met een eigen woning in 2020 met 5,48%. Voor eenpersoonshuishouden met een eigen woning stijgt de lastendruk met 3,92%. Voor huishoudens met een huurwoning stijgt de lastendruk zowel voor meerpersoonshuishoudens als voor alleenstaanden met resp. 7,62% en 5,60%.

Conclusie

De Programmabegroting 2020 laat een positieve ontwikkeling zien. Zowel het begrotingsjaar 2020 als de meerjarenraming 2021 - 2023 sluiten met een positief saldo. Het overzicht incidentele baten en lasten laat zien dat de begroting reëel en structureel sluitend is en de stijgende lijn in het weerstandsvermogen zet zich door.

In het Collegewerkprogramma 2018-2022, Samen Vooruit! heeft het college de ambitie opgenomen om te werken aan een verbetering van de vermogenspositie. Tweemaal per jaar, bij de jaarrekening en bij de begroting, wordt de voortgang getoetst door middel van de financiële kengetallen. In de Begroting 2019 werd de verwachting aangegeven dat het herstel van de financiële positie een verbetering zal laten zien zodra de grote investeringen zijn gerealiseerd. Die verwachting is niet gewijzigd. Doordat enkele grote investeringen later worden gerealiseerd dan aanvankelijk verwacht, zal het structurele herstel van met name de schuldquotes wat langer op zich laten wachten.

Burgemeester en Wethouders,

Oudenbosch, oktober 2019